Over taal en leestekens

Geplaatst op juni 5, 2013

alycia-martin-books-6

Wim Daniëls is neerlandicus en schrijver. Hij houdt zich bezig met kwelmen en oortjedood of hij herleidt minister Dijsselbloem tot distelbloem. Hij streeft onder meer naar verwimmisering, maar daar is deze avond allemaal niets van te merken. Vanavond weegt hij elk woord van onze teksten. Hij doet dat in het kader van de CKE cursus: Schrijven voor Kinderen.

Het eerste dat Wim glashelder maakt, is dat een schrijver moet studeren op zijn grammatica. Een schrijver moet weten wanneer hij een bijvoeglijk beperkende bijzin of juist een bijvoeglijke uitbreidende bijzin neerpent. Pas dan weet hij namelijk, waar hij de komma moet zetten. Oh, chips, klopt die komma daar of toch niet?

Een schrijver moet houden van de komma!

Een schrijver moet van alle leestekens houden natuurlijk. Maar voorál van de komma. En niet van drie puntjes… en hij gebruikt liefst niet teveel klemtoon- of uitroeptekens.

Daniëls leest onze verhalen zin voor zin, hardop voor. Het gaat hierbij niet om de inhoud van het verhaal. Hij herhaalt woorden of delen van zinnen veelvuldig en proeft en beoordeelt. Klopt die zin? Hij heeft aan één A4 voldoende om vele aandachtspunten eruit te halen. De ene cursist moet letten op werkwoordstijden die rammelen, de andere moet zijn woordkeus in de gaten houden om stijlbreuk te vermijden.
De ene tekst heeft een mooi ritme, de andere tekst kan pregnanter. Ik heb het moeten opzoeken: waarbij naar een concrete realiteit wordt verwezen door alleen de context ervan woordelijk te benoemen.
Of: in beknopte zin veel inhoudelijks zeggen.
Kernachtiger dus.

Dan is mijn tekst aan de beurt. Er is heel wat aan de hand. Een opsomming is twijfelachtig omdat er achtereenvolgens een zelfstandig naamwoord, een werkwoord en een meervoudig zelfstandig naamwoord staan. Ik moet oppassen niet te figuurlijk te schrijven voor kinderen. Die missen dan de boot. Ook is er een probleem met het nevenschikkend voegwoord. De eerste hoofdzin heeft een ander onderwerp dan de tweede hoofdzin en dat kan niet. Mijn hersens kraken maar het kwartje valt. Een punt is de oplossing. Verder draaf ik op het einde te ver door en dat de hoofdpersoon gaat wandelen middenin een gesprek dat kan echt niet.
Ik hoor nog maar de helft van het samenvattende advies. Ik noteer alleen: meer aankleden. De volgende dag al kan ik me niet meer herinneren wat Daniëls hier mee bedoelt. Balen.
Waarom heb ik geen pluimen en complimenten genoteerd? Heb ik soms gedroomd dat onze schrijfmeester zei, dat ik goud in handen heb? Mocht het mijn alter ego zijn, die me dit influistert, het helpt wel. Daardoor kan ik vol goede moed de boel herschrijven. Of het hiervan beter is geworden?

Oordeelt u zelf. Doe dit door de tekst ‘Het moest gezegd’ hardop voor te dragen. Als u hakkelt dan is het vonnis geveld. Dan staat er misschien wel een komma verkeerd.

Het moest gezegd

De wolleweer moest een praatje houden. Er kwamen veel woorden in hem op. Buikpijn, kippenvel, klamme handen. Niet precies de goede woorden voor een spreekbeurt.
‘Lukt het?’ vroeg de vlibelle.
‘Ja hoor,’ zei de wolleweer. Hij plukte aan zijn borstelige wenkbrauw. Het papier dat voor hem lag was wit. De wolleweer staarde blanco voor zich uit.
‘Waarom schrijf je niet?’ vroeg de vlibelle.
De wolleweer ademde uit en de vlibelle, die geen houvast vond aan het gladde tafeloppervlak, tuimelde over de rand. De wolleweer bukte, keek schuin onder de tafel en zag de vlibelle opkrabbelen.
‘Sorry,’ zei de wolleweer. ‘Maar het lukt me niet.’
‘Dat dacht ik al,’ zei de vlibelle en ze kroop langs het been van de wolleweer omhoog.
‘Ik kan de juiste woorden niet vinden,’ zei de wolleweer. De vlibelle wreef haar voelsprieten tegen elkaar.
‘Ik ben dol op woorden. Onuitsprekelijke woorden, zelfbedachte woorden en sterke woorden.’ De vlibelle ratelde door. De wolleweer trok met twee handen aan beide wenkbrauwen en boog dieper voorover.
‘Zachte en stekelige woorden, geklutste woorden, woorden die blijven hangen.’ Opeens stopte de vlibelle.
‘Wat doe je?’ vroeg ze. De wolleweer lag met zijn gezicht bovenop het lege papier.
‘Niks.’ Klonk het somber.
‘Niks? Je moet wel luisteren!’ riep de vlibelle, haar voelsprieten stonden strak.
‘Schrijf op:’

‘Ik ben zeer vereerd met deze prijs! Mijn grootste dank gaat uit naar mijn allerliefste vlibelle. Zij is een belangrijke steun voor mij en zonder haar had ik hier nooit gestaan. Ik geef graag alle eer aan mijn vlibelle!

…en dan kom ik naar je toe gevlogen!
Wat denk je, zal dat niet prachtig zijn?
Nou zeg, je mond hangt open.
Heb ik soms iets raars gezegd?’

De wolleweer deed zijn mond dicht en zweeg.
‘Je kunt natuurlijk ook je moeder nog bedanken,’ zei de vlibelle. Ze begon haar vleugel te poetsen. Desondanks zag de wolleweer dat de vlibelle rood begon te gloeien. Hij moest snel ingrijpen.
‘Beste vlibelle, als je in de buurt bent zo nu en dan, is het altijd berengezellig. We kunnen samen vreselijk lachen. Maar een standvastige steun dat ben je niet. Geef toe, je vliegt van hot naar her. Ik blaas een keer en je ligt meteen van tafel!’
De vlibelle zette haar vleugels op.
‘Als de wind uit het oosten waait zit jij in het westen. En als het winter wordt…’ De wolleweer stopte.
Nu zat de vlibelle zonder woorden. Maar niet voor lang. Ze vloog op en landde boven op de kop van de wolleweer. Daar begon ze te stampen als een meeuw in een grasveld.
‘Goed dan, ouwe eenzame schrijver. Vermaak je maar met je eigen personages. Ik ga eieren leggen. Voor je het weet is het winter!’
De wind draaide en weg was ze. De wolleweer knorde van genoegen en begon te schrijven.

Edit this post

Wat anderen zeggen

  1. KiWi0501 september 20, 2013 at 4:45 pm

    NU moet ik erg lachen. Het derde dingetje dat ik hier aanklik…en weer een link! Ik ben pas bij Wim Daniels geweest.. Hahaha.
    Groetjes kIm

Geef een reactie