Een boom aan de rivier

Geplaatst op juni 5, 2013

Writersplace

Hij waarschuwde me en ik dacht na, twijfelde, maar niet lang. Op mijn gympjes van stof liep ik door het natte gras van de uiterwaarden. Ik ontweek de poep, er lagen ontieglijk veel vlaaien. Ik koerste naar het water. De oude wilgen met hun blootgespoelde wortels stonden daar voor mij. Niet om op te gaan zitten met hun groene aanslag maar er tegen leunen kon geen kwaad.
Hij waarschuwde me en ik dacht na, twijfelde, maar niet lang. Op mijn gympjes van stof liep ik door het natte gras van de uiterwaarden. Ik ontweek de poep, er lagen ontieglijk veel vlaaien. Ik koerste naar het water. De oude wilgen met hun blootgespoelde wortels stonden daar voor mij. Niet om op te gaan zitten met hun groene aanslag maar er tegen leunen kon geen kwaad.
Over het water het geronk van een stroomopwaarts ploegend schip, de Janny. In de vlucht het gewiek van een legerhelicopter en het gegak van honderden rotganzen. Achter mij het afnemende gerommel van een onweersbui. Ik sta hier enkele seconden en kan de indrukken niet bijhouden. De winter zit in de lucht en de kou in mijn vingers. Ik heb een warme buik en een loopneus. De Bermina keert huiswaarts, ik zie het aan de Duitse vlag.

Deze wilg is minstens vijftig jaar oud. Vroeger, bij mij thuis, stond een wilg langs de vijver. Zijn takken tot aan het water, daar speelden wij onder. Ik moet ook denken aan dat lied van Gerard van Maasakkers, over die boom aan de rivier: “d’r valt zoveul te beleven hier, vur’ne groten boom als ik aan de rivier”. Het valt niet mee om de tekst boven te halen en in dat diepe gepeins overvalt mij het gebries van een paard op nog geen meter afstand. Ik heb de kudde niet horen aankomen. Terwijl ik ze zelfs had kunnen ruiken. Het zijn er veel. Nog nooit heb ik in een kudde wilde paarden gestaan. De dikke wilg voorkomt dat ik in paniek schiet, hij is mijn steun en toeverlaat. Zijn takken fluisteren dat de paarden hier komen schuilen voor de regen. Niet om mij op te eten. Er is er één erg nieuwsgierig en ik roep: “Nee, nee, niet dichterbij dat vind ik eng!” Het klinkt mij kinderachtig in de oren. Ik zie hoe het paard achter mij zijn neusgaten spert, hij vangt mijn angst. Ik verbeeld me dat zijn poten in aanvalspositie staan. Het regent door en ik kan geen kant op dus ik blijf. Hermann Burmester vaart langs en passeert Icarus.

Het duurt en ik kalmeer. Niet geheel, wel genoeg om naar ze te kunnen kijken. Hun vacht, vooral de manen en de staarten, zitten vol klitten van de klis. Met weerhaken zitten die vruchten vast, een leuke truc van de plant om zijn zaad te verspreiden. Wel lastig voor de paarden, lijkt me. Niet dat het daar naar uitziet. Ze zien er vrolijk uit en twee spelen er met een veulen. Wat jammer dat ik geen fototoestel bij me heb. De Ingrit komt voorbij gevaren. Ik praat tegen het dichtsbijzijnde paard, keuvel over hoe mooi hij is en dat ik graag foto’s van hem had gemaakt.
Drie paarden sprinten weg, happen naar elkaar. Twee gaan er op hun knieën, bijten in de nek van de ander en al mijn spieren ontspannen. Ik zie de kudde vertrekken. De regen is gestopt. De Sustento van honderd meter lang glijdt geruisloos voorbij. Een heel verschil met de Ushuaïa die tegen de stroom in zwoegt. De man waarschuwde me voor onweer maar hij zei niets over paarden.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie